
10 september 2026
Vrijheid van ondernemen, wat stelt dat nog voor? Het Grondwettelijk Hof zet de lijnen bij windturbineprojecten.
Het Waalse Gewest legde windturbineontwikkelaars verregaande participatievoorwaarden op, maar botste daarbij op de grondwettelijke grenzen van de vrijheid van ondernemen en het vrije verkeer van kapitaal. Het Grondwettelijk Hof gaf op 2 juli 2026 een duidelijk signaal. Hoewel de zaak over een Waals decreet handelt, is deze ook erg relevant voor elk windturbineproject, ook in Vlaanderen.
Participatie van burgers en lokale besturen in het windturbineproject
Het decreet van het Waalse Gewest van 29 april 2024 voerde een aantal nieuwe bepalingen in voor vergunningsaanvragers van één of meerdere windturbines.
Artikel 5 verplichtte windturbineontwikkelaars om hun projecten open te stellen voor deelname van burgers en lokale besturen. Aan elk van beide groepen moest een participatie van minstens 24,99% worden aangeboden. Dit betekende dat in totaal minimaal 49,98% van de deelname aan het project bij voorrang moest worden opengesteld voor burgers en lokale besturen ten opzichte van andere potentiële investeerders.
Artikel 6 voerde een procedure in voor onverenigbare windturbineprojecten die niet de grens van 24,99% bereikten. Bij de beoordeling van dergelijke projecten moest in eerste instantie de voorkeur worden gegeven aan het project met de grootste potentiële energieopbrengst. Hadden de projecten een vergelijkbare potentiële energieopbrengst, dan moest de voorkeur worden gegeven aan het project met de grootste deelname van burgers en/of lokale besturen.
Het Grondwettelijk Hof als de bewaker van de vrijheid van ondernemen
Het Hof vernietigde de artikelen 5 en 6 van het decreet integraal omdat zij een onevenredige beperking vormden op de vrijheid van ondernemen en het vrije verkeer van kapitaal.
Met de regeling beoogde de decreetgever de procedures voor windturbineprojecten te verbeteren en het maatschappelijk draagvlak voor dergelijke projecten te vergroten. Op die manier wilde hij bijdragen aan de Europese doelstelling om de energietransitie te versnellen en de klimaatverandering te bestrijden. Volgens het Hof waren de opgelegde maatregelen wel degelijk pertinent om die doelstellingen te bereiken, maar leidde de combinatie ervan tot onevenredige gevolgen.
Hoewel artikel 5 geen daadwerkelijke participatie van burgers en lokale besturen vereiste, legde het windturbineontwikkelaars wel een aanzienlijke verplichting op. Zij moesten namelijk bijna de helft van de investering in eerste instantie voorbehouden voor participatie door burgers en lokale besturen. Bovendien kon de omvang van de participatie, in het kader van de procedure van artikel 6, doorslaggevend zijn bij de keuze tussen onverenigbare windturbineprojecten met een vergelijkbare potentiële energieopbrengst.
Een duidelijk signaal, ook voor Vlaanderen.
De vernietiging heeft terugwerkende kracht. Dit betekent dat de vernietigde bepalingen geacht worden nooit deel te hebben uitgemaakt van de rechtsorde. De artikelen 5 en 6 kunnen dan ook niet langer als geldige rechtsgrond worden ingeroepen.
Let wel: het gaat hier om een Waals decreet. Voor Vlaanderen heeft het arrest dus geen rechtstreekse gevolgen. Dit neemt echter niet weg dat het arrest ook voor Vlaanderen relevant is. Het geeft immers een duidelijk signaal dat participatievoorwaarden niet onbeperkt kunnen worden opgelegd. Indien Vlaanderen eveneens dergelijke verregaande participatievoorwaarden zou opleggen, zal rekening moeten worden gehouden met de grenzen die het Grondwettelijk Hof in dit arrest heeft gesteld.
Wil u hierover graag meer weten, contacteer dan één van onze specialisten in het omgevingsrecht en het energierecht.
Disclaimer
De informatie op deze website en in onze publicaties is uitsluitend bedoeld voor algemene informatiedoeleinden en vormt geen juridisch advies. Aan de inhoud kunnen geen rechten worden ontleend. Voor advies aangepast aan uw specifieke situatie, raden wij aan om contact op te nemen met een advocaat.






