
26 september 2025
Op weg naar een onpartijdig vergunningenbeleid? Het Grondwettelijk Hof wikt en beschikt.
Gemeenten en provincies mogen niet langer zelf beslissen over vergunningen voor hun eigen projecten wanneer daarbij een milieueffectrapport of een project-MER-screening vereist is. Dat staat vast nu het Grondwettelijk Hof op 18 september 2025 artikel 5 van het decreet van 19 april 2024 heeft vernietigd. Daarmee wordt een volgende episode ingeluid na de eerder ontwikkelde rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en van het Hof van Justitie.
De situatie voor het arrest van het Grondwettelijk Hof
Artikel 15/1 van het Omgevingsvergunningsdecreet houdt in essentie in dat het college van burgemeester en schepenen niet bevoegd is om te beslissen over een vergunningsaanvraag waarvoor een milieueffectenrapport moet worden opgesteld wanneer dat college de bouwheer van de aanvraag is. In die situatie is de deputatie bevoegd om te oordelen over de vergunningsaanvraag.
Uit de parlementaire voorbereidingen blijkt dat artikel 15/1 van het Omgevingsvergunningsdecreet het gevolg is van de omzetting van artikel 9bis van de project-MER-richtlijn, ook wel de no conflict of interest-bepaling genoemd. Dit artikel verplicht lidstaten ervoor te zorgen dat de instantie die beslist over de milieueffecten van een project voldoende onafhankelijk is, ook wanneer de overheid zelf de initiatiefnemer is.
De Vlaamse decreetgever is ervan uitgegaan dat artikel 9bis van de project-MER-richtlijn enkel van toepassing is op MER-plichtige projecten en niet op MER-screeningsplichtige projecten. Bijgevolg heeft de Vlaamse decreetgever een andere regeling ingevoerd voor MER-screeningsplichtige projecten wanneer de bevoegde overheid tegelijkertijd de aanvrager en de beoordelaar van het project is.
De aparte regeling voor MER-screeningsplichtige projecten
De Vlaamse decreetgever heeft bepaald dat wanneer een vergunningsaanvraag met een project-MER-screeningsnota wordt ingediend door het college van burgemeester en schepenen of door de deputatie, en diezelfde instantie ook beslist over de aanvraag, de beoordeling van de aanvraag gebeurt door de gemeentelijke of provinciale omgevingsambtenaar.
Als er geen gemeentelijke omgevingsambtenaar binnen de gemeente of het intergemeentelijk samenwerkingsverband beschikbaar is, oefent de algemeen directeur van de gemeente (de vroegere gemeentesecretaris) voor een periode van maximum twaalf maanden de taken van de gemeentelijke omgevingsambtenaar uit of wijst hij een waarnemende gemeentelijke omgevingsambtenaar aan die de taken van de gemeentelijke omgevingsambtenaar uitoefent.
De Raad voor Vergunningsbetwistingen 6 oktober 2022
Hoewel het uitgangspunt van de Vlaamse decreetgever was dat artikel 9bis van de project-MER-richtlijn niet van toepassing is op de MER-screeningsplichtige projecten, heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen bij het arrest van 6 oktober 2022 anders geoordeeld.
De Raad heeft geoordeeld dat de toepassing van de artikel 9bis project-MER-richtlijn niet mag worden beperkt tot de projecten die krachtens artikel 4 van deze richtlijn rechtstreeks zijn onderworpen aan een milieueffectenbeoordeling. Volgens de Raad vallen ook de MER-screeningsplichtige projecten onder het toepassingsgebied van artikel 9bis project-MER-richtlijn. Tegen het voormelde arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen werd een cassatieberoep ingesteld bij de Raad van State.
Hoe dan ook heeft de Vlaamse decreetgever met het decreet van 19 april 2024 getracht deze rechtspraak te omzeilen door de onafhankelijkheid van de gemeentelijke omgevingsambtenaar te benadrukken in artikel 5 van voormeld decreet.
De prejudiciële vraag van de Raad van State aan Het Hof van Justitie
De Raad van State heeft vervolgens met het arrest van 26 maart 2024 een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie. De Raad van State vroeg het Hof van Justitie of artikel 9bis van de project-MER-richtlijn van toepassing is op de beoordeling door de omgevingsambtenaar van een project-MER-screeningsnota.
Het Hof van Justitie heeft met zijn arrest van 8 mei 2025 de vraag van de Raad van State bevestigend beantwoord waardoor artikel 9bis van de project-MER-richtlijn van toepassing is op de beoordeling door de omgevingsambtenaar van een project-MER-screeningsnota.
Het Grondwettelijk Hof 18 september 2025
De Vlaamse decreetgever heeft dus met het decreet van 19 april 2024 de toepassing van artikel 9bis van de project-MER-richtlijn proberen te omzeilen voor MER-screeningsplichtige projecten door een artikel in te voeren dat de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de omgevingsambtenaar benadrukt. Het Grondwettelijk Hof heeft nu geoordeeld dat artikel 5 van voormeld decreet in strijd is met de onafhankelijkheids- en onpartijdigheidsvereisten uit artikel 9bis van de project-MER-richtlijn.
Met zijn arrest van 18 september 2025 nr. 122/2025 is het Grondwettelijk Hof van oordeel dat er geen afdoende structurele en organisatorische waarborgen zijn die kunnen garanderen dat de gemeentelijke of provinciale omgevingsambtenaren werkelijk autonoom kunnen oordelen. Gemeentelijke en provinciale omgevingsambtenaren mogen formeel wel onafhankelijk en neutraal optreden, maar zij maken in de praktijk deel uit van dezelfde organisatie die het project indient. Dat geldt des te meer wanneer de algemeen directeur van de gemeente tijdelijk optreedt als omgevingsambtenaar, aangezien die nauw samenwerkt met het college van burgemeester en schepenen.
Hiermee oordeelt het Grondwettelijk Hof dat de decretale regeling in artikel 5 van het decreet van 19 april 2024 niet voldoet aan de voormelde vereisten van artikel 9bis project-MER-richtlijn samen gelezen met de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het arrest van het Hof van Justitie van 8 mei 2025.
Gevolgen van het vernietigingsarrest
Het is opmerkelijk dat het Grondwettelijk Hof niet ingaat op het verzoek tot handhaving van de gevolgen, wat een impact kan hebben voor reeds verleende vergunningen.
De gevolgen zijn hoe dan ook aanzienlijk. Voor toekomstige dossiers betekent dit arrest dat gemeenten en provincies hun eigen projecten, zodra een project-MER-screening vereist is, niet langer zelf kunnen behandelen. De beoordeling verschuift naar de deputatie of, in voorkomend geval, naar de Vlaamse overheid.
Voor reeds verleende vergunningen is de impact echter nog groter. Zij worden onwettig geacht, omdat ze steunen op een norm die door het Grondwettelijk Hof vernietigd is en dus de toets van artikel 159 van de Grondwet niet kunnen doorstaan. Het arrest opent dan ook een nieuwe beroepstermijn om tegen de ongrondwettig verleende vergunningen te procederen.
Met dit arrest komt er dan ook een einde aan de poging van de Vlaamse decreetgever om de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Hof van Justitie te omzeilen. Het principe is nu duidelijk en ondubbelzinnig: een overheid kan nooit tezelfdertijd rechter en partij zijn in haar eigen projecten (waarvoor een MER of een MER-screening noodzakelijk is). Dit arrest creëert niet alleen juridische duidelijkheid, maar ook grote praktische uitdagingen voor lokale besturen en hun geplande projecten.
Heeft u vragen over het indienen van uw vergunningsaanvraag? Neem dan contact op met een van onze specialisten in het omgevingsrecht. Wij helpen u graag verder.






