8 juni 2026

Slachtoffer van phishing en geen terugbetaling van uw bank? Een kortgedingrechter zet de spelregels op scherp

Wie slachtoffer wordt van phishing, krijgt vaak niet alleen af te rekenen met financiële schade, maar ook met een tweede strijd: die met de bank. Het klassieke verweer is intussen bekend. De bank stelt dat de klant zelf onvoorzichtig is geweest, dat er sprake is van grove nalatigheid en dat een terugbetaling daarom niet aan de orde is.

Een recente beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Antwerpen van 26 mei 2026 zet die praktijk echter stevig onder druk. De rechter oordeelde dat een bank in principe eerst moet terugbetalen en pas daarna kan discussiëren over de vraag wie uiteindelijk aansprakelijk is.

Deze beslissing kan verstrekkende gevolgen hebben voor slachtoffers van phishing én voor de manier waarop banken dergelijke dossiers behandelen.

Eén telefoontje, twee overschrijvingen en bijna 50.000 euro verdwenen

De zaak betrof een echtpaar van 90 en 93 jaar dat klant was bij Argenta. Op 23 januari 2026 werd de man telefonisch gecontacteerd door iemand die zich voordeed als een medewerker van de bank. Later diezelfde dag bleek dat twee overschrijvingen waren uitgevoerd naar een onbekende rekening in Portugal voor een totaalbedrag van 49.958,00 EUR.

De zoon van het echtpaar verwittigde onmiddellijk de fraudelijn en Card Stop en diende klacht in bij de politie. Nadat de bank weigerde terug te betalen, werd zij in gebreke gesteld en vervolgens gedagvaard in kort geding.

De vraag was ogenschijnlijk eenvoudig: moest de bank onmiddellijk terugbetalen of mocht zij de terugbetaling weigeren omdat de klanten volgens haar zelf fouten hadden gemaakt?

Wat zegt de wet?

Het juridische debat draait rond twee bepalingen uit Boek VII van het Wetboek van Economisch Recht.

Artikel VII.43 WER: de onmiddellijke terugbetalingsplicht

Artikel VII.43, § 1 WER bepaalt dat een betalingsdienstaanbieder bij een niet-toegestane betalingstransactie het bedrag onmiddellijk moet terugbetalen, en uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag nadat hij van de transactie kennis heeft gekregen.

De wet voorziet slechts één uitzondering: wanneer de bank redelijke gronden heeft om fraude door de rekeninghouder zelf te vermoeden én zij deze gronden schriftelijk meedeelt aan de FOD Economie.

De bedoeling van deze bepaling is duidelijk. Een slachtoffer van fraude mag niet maanden of jaren moeten wachten op een definitieve uitspraak alvorens opnieuw over zijn geld te kunnen beschikken.

Artikel VII.44 WER: wie draagt uiteindelijk het verlies?

Artikel VII.44 WER regelt vervolgens de definitieve aansprakelijkheidsverdeling tussen de bank en de klant. Daar komt onder meer de vraag aan bod of de klant al dan niet grof nalatig heeft gehandeld.

Die bepaling bepaalt dus niet of er onmiddellijk moet worden terugbetaald, maar wel wie uiteindelijk het financiële verlies moet dragen.

Dat onderscheid blijkt cruciaal.

De kern van de beslissing: eerst terugbetalen, daarna procederen

De bank voerde aan dat de overschrijvingen waren uitgevoerd met de gebruikelijke beveiligingsprocedures, waaronder de debetkaart, digipas en unieke codes. Volgens haar ging het daarom om toegestane transacties. Subsidiair stelde zij dat de klanten minstens grof nalatig waren geweest.

De voorzitter volgde die redenering niet.

Volgens de rechtbank mag een bank de onmiddellijke terugbetalingsplicht van artikel VII.43 WER niet naast zich neerleggen door simpelweg te stellen dat de klant toestemming heeft gegeven of dat de klant onvoorzichtig is geweest. De wet voorziet slechts één uitzondering op de onmiddellijke terugbetaling, namelijk een vermoeden van fraude door de klant zelf. Andere uitzonderingen mogen niet door de rechter of door de bank worden toegevoegd.

De rechtbank benadrukt daarbij dat een onderzoek naar de vraag of een transactie al dan niet toegestaan was, vaak technisch en juridisch complex is. Indien banken eerst zo’n onderzoek zouden mogen voeren alvorens terug te betalen, zou de wettelijke verplichting om uiterlijk de volgende werkdag terug te betalen haar nut volledig verliezen.

Minstens even opmerkelijk is het oordeel over de grove nalatigheid.

In de praktijk weigeren banken zeer vaak een terugbetaling met het argument dat de klant zelf codes heeft doorgegeven, op een verdachte link heeft geklikt of op een andere manier onvoldoende voorzichtig is geweest.

De rechtbank maakt echter een duidelijk onderscheid tussen de voorlopige terugbetaling en de uiteindelijke aansprakelijkheid. Zelfs wanneer de bank meent dat sprake is van grove nalatigheid, blijft zij volgens deze beschikking gehouden tot onmiddellijke terugbetaling. De discussie over de eventuele aansprakelijkheid van de klant moet later worden gevoerd in een procedure ten gronde.

De voorzitter verwijst daarbij uitdrukkelijk naar de conclusie van advocaat-generaal Rantos van 05/03/2026 in zaak C-70/25 voor het Hof van Justitie van de Europese Unie. Volgens die conclusie moeten artikel 73 en artikel 74 van PSD2 als opeenvolgende stappen worden gelezen: eerst terugbetalen, daarna bepalen wie uiteindelijk aansprakelijk is.

Waarom deze uitspraak zo belangrijk is

De beschikking is juridisch interessant omdat zij artikel VII.43 WER opnieuw centraal plaatst.

In veel phishingdossiers ligt de focus traditioneel op de vraag of de klant grof nalatig heeft gehandeld. Daardoor wordt vaak voorbijgegaan aan het feit dat de wet een afzonderlijke en onmiddellijke terugbetalingsverplichting oplegt aan de bank.

De Antwerpse ondernemingsrechtbank maakt duidelijk dat deze verplichting geen vrijblijvende formaliteit is, maar een zelfstandig recht waarop slachtoffers zich kunnen beroepen.

Daarmee verschuift ook het procesrisico. Het is niet langer de klant die eerst een langdurige procedure moet voeren om zijn geld terug te krijgen. Volgens de logica van de wet moet de bank terugbetalen en vervolgens zelf een procedure starten indien zij meent dat de klant uiteindelijk aansprakelijk is.

Kort geding als effectief wapen voor slachtoffers

Een opvallend onderdeel van deze beschikking betreft de vraag of de slachtoffers hun vordering via een kort geding konden instellen.

Een kort geding is een versnelde gerechtelijke procedure die mogelijk is wanneer er sprake is van hoogdringendheid. Met andere woorden: de situatie moet zo dringend zijn dat een gewone procedure ten gronde, die vaak maanden of zelfs jaren kan duren, geen gepaste oplossing biedt.

De bank argumenteerde dat de klanten perfect een gewone procedure hadden kunnen opstarten en dat er dus geen reden was om de zaak met spoed te behandelen. De rechtbank volgde dat standpunt niet.

Volgens de rechter volgt de hoogdringendheid rechtstreeks uit de wet zelf. Artikel VII.43 WER bepaalt immers dat een bank een niet-toegestane betalingstransactie onmiddellijk moet terugbetalen en uiterlijk tegen het einde van de eerstvolgende werkdag. Wanneer de wetgever zo’n korte termijn oplegt, toont dit volgens de rechtbank aan dat een geschil over die terugbetaling per definitie dringend is.

Dat is een belangrijk oordeel. Het betekent immers dat slachtoffers van phishing niet noodzakelijk eerst een lange procedure ten gronde moeten doorlopen om hun geld terug te krijgen. In bepaalde gevallen kunnen zij zich rechtstreeks tot de kortgedingrechter wenden en vragen dat de bank onmiddellijk tot terugbetaling wordt veroordeeld.

Zo wordt het kort geding een bijzonder krachtig instrument voor slachtoffers van phishing die niet maanden of jaren willen wachten om opnieuw over hun geld te kunnen beschikken.

Wat betekent dit concreet voor u?

Wie slachtoffer wordt van phishing doet er goed aan onmiddellijk actie te ondernemen:

Meld de fraude onmiddellijk aan uw bank en aan Card Stop. Dien zo snel mogelijk klacht in bij de politie. Verzamel alle beschikbare bewijzen, zoals sms-berichten, e-mails, screenshots en communicatie met de fraudeurs. Vraag de terugbetaling schriftelijk aan uw bank en stel haar desgevallend formeel in gebreke.

Weigert de bank vervolgens terug te betalen omdat u volgens haar onvoorzichtig bent geweest? Dan kan deze beschikking een belangrijk argument vormen om alsnog terugbetaling te vorderen.

Dat betekent niet dat de discussie daarmee definitief beslecht is. De bank kan nadien nog steeds proberen aan te tonen dat de klant aansprakelijk is wegens grove nalatigheid. De uitspraak maakt echter duidelijk dat die discussie niet mag worden gebruikt om de onmiddellijke terugbetalingsplicht te omzeilen.

Een belangrijke evolutie in de phishingrechtspraak

De beschikking van de ondernemingsrechtbank Antwerpen bevestigt een duidelijke tendens naar een sterkere bescherming van slachtoffers van phishing.

De boodschap van de rechter is helder: een bank kan zich niet zonder meer achter een vermoeden van toestemming of grove nalatigheid verschuilen om een terugbetaling te weigeren. Artikel VII.43 WER legt een onmiddellijke terugbetalingsplicht op en uitzonderingen daarop moeten strikt worden geïnterpreteerd.

Of het Hof van Justitie deze visie binnenkort definitief zal bevestigen, valt nog af te wachten. Maar één zaak staat nu al vast: voor slachtoffers van phishing biedt deze beschikking een krachtig juridisch argument om hun geld sneller terug te krijgen dan banken tot op heden vaak wilden aanvaarden.

Bent u geconfronteerd met phishing en weigert uw bank de verdwenen gelden terug te betalen? Dan is het belangrijk om uw dossier juridisch te laten beoordelen. Onze advocaten gespecialiseerd in consumentenbescherming bekijken graag samen met u welke stappen mogelijk zijn.

Disclaimer
De informatie op deze website en in onze publicaties is uitsluitend bedoeld voor algemene informatiedoeleinden en vormt geen juridisch advies. Aan de inhoud kunnen geen rechten worden ontleend. Voor advies aangepast aan uw specifieke situatie, raden wij aan om contact op te nemen met een advocaat.

Frederic Rosiers

Frederic Rosiers is actief in de praktijkgebieden “vennootschaps- en ondernemingsrecht” en “bouw, vastgoed en projectontwikkeling”. Hij behandelt dossiers inzake aandeelhoudersgeschillen, aandelentransacties, distributierecht en vastgoedtransacties, met inbegrip van erfpacht- vruchtgebruik- en opstalconstructies. Door zijn ervaring en pragmatische aanpak vertalen de contracten het bereikte commerciële evenwicht en anticiperen zij op mogelijke geschillen. Als opgeleid bemiddelaar worden geschillen indien mogelijk buiten de rechtbank om geregeld.

Hij brengt sereniteit in discussies, is pragmatisch en oplossingsgericht en houdt rekening met hetgeen de cliënt echt belangrijk vindt.

Frederic Rosiers

Charlene Pétillon

Charlene behaalde in 2023 met onderscheiding haar Master in de Rechten aan de Vrije Universiteit Brussel, waar zij zich specialiseerde in het economisch recht. Ze breidde haar academische vorming verder uit via een summerschool in Milaan, waar zij zich verdiepte in het intellectuele eigendomsrecht.

Sinds 2025 is Charlene advocaat bij Forum Advocaten, waar ze zich binnen het kantoor voornamelijk toelegt op het ondernemingsrecht en vennootschapsrecht.

Charlene Pétillon