
15 december 2025
Waarom bestuurders er goed aan doen hun overeenkomsten te heronderhandelen: de terugkeer van de quasi-immuniteit via contractuele uitsluiting van artikel 6.3 BW
Sinds 1 januari 2025 is er in het Belgische aansprakelijkheidsrecht een fundamentele verschuiving doorgevoerd. Met de inwerkingtreding van Boek 6 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek is de zogenaamde quasi-immuniteit van bestuurders grotendeels verdwenen. Waar derden zich vroeger in de regel tot de vennootschap moesten richten voor fouten begaan in de uitvoering van een bestuursmandaat, laat artikel 6.3 BW nu toe om een rechtstreekse vordering in te stellen tegen de uitvoeringsagent, waaronder ook de bestuurder die persoonlijk de fout beging.
De gevolgen laten zich raden. Bestuurders worden voorzichtiger of zelfs terughoudender, ondernemingen opereren in een context van grotere onzekerheid, en vooral: het persoonlijke vermogen van bestuurders komt sneller in het vizier.
Exoneratie tussen vennootschap en bestuurder: een strikt verbod
Het uitgangspunt moet helder zijn: in de verhouding tussen de rechtspersoon en de bestuurder (het zogenaamde ondercontract) geldt een streng exoneratieverbod.
Artikel 2:58 WVV bepaalt ondubbelzinnig dat:
- de aansprakelijkheid van een bestuurder niet verder kan worden beperkt dan de wettelijk voorziene cap in art. 2:57 WVV;
- de vennootschap de bestuurder niet vooraf mag exonereren of vrijwaren;
- elke strijdige bepaling voor niet geschreven wordt gehouden.
Dat betekent concreet dat een bestuurdersovereenkomst géén geldige exoneratie- of vrijwaringsclausules kan bevatten ten gunste van de bestuurder. Zowel exoneraties als vrijwaringen door de vennootschap zijn nietig, net zoals elke poging om een bijkomend aansprakelijkheidsplafond te creëren.
Hierdoor blijft artikel 6.3, §2 BW, dat voorziet dat contractuele verweermiddelen kunnen doorwerken naar buitencontractuele vorderingen, in deze relatie dode letter. Een bestuurder kan immers geen verweermiddelen inroepen die wettelijk verboden zijn. De bescherming die hij “contractueel” zou kunnen opbouwen, is dus in de praktijk onbruikbaar tegenover derden.
Waarom de sleutel tot bescherming wél ligt in het hoofdcontract (vennootschap – schuldeiser)
Hoewel de vennootschap haar bestuurders niet mag exonereren in het ondercontract, gelden de beperkingen van art. 2:58 WVV niet in de verhouding tussen:
- de vennootschap (contractspartij) en
- de schuldeiser / klant / derde
In dat hoofdcontract kan de vennootschap dus wél geldige exoneratieclausules opnemen, zoals: “De toepassing van artikel 6.3 BW wordt uitdrukkelijk uitgesloten. De wederpartij erkent dat zij geen vorderingen kan instellen tegen personen die voor de vennootschap de overeenkomst uitvoeren.”
Een dergelijke clausule heeft verregaande gevolgen:
- de vennootschap creëert opnieuw een functionele quasi-immuniteit voor haar bestuurders;
- derden kunnen de bestuurder (uitvoeringsagent) niet meer aanspreken op basis van artikel 6.3 BW;
- de bestuurder kan de exoneratie rechtstreeks tegenwerpen aan de schuldeiser.
Omdat dit volledig binnen de contractsvrijheid van het hoofdcontract valt, staat artikel 2:58 WVV hier niet in de weg. In tegenstelling tot het ondercontract vormt het hoofdcontract dus wél een juridisch solide instrument om bestuurders effectief te beschermen.
Wat kan een bestuurder wél doen?
Gezien het exoneratieverbod in het WVV blijven in de praktijk twee juridische routes over om een reële bescherming te creëren:
1. Systematische uitsluiting van artikel 6.3 BW in contracten met derden
De vennootschap kan in haar overeenkomsten met klanten voorzien dat artikel 6.3 BW niet van toepassing is. Dit is geldig en herstelt de vroegere quasi-immuniteit.
De bestuurdersovereenkomst (ondercontract) kan vervolgens bepalen dat de vennootschap de verplichting heeft om deze clausule systematisch op te nemen in haar overeenkomsten met derden (hoofdcontract). Dat creëert voor de bestuurder een afdwingbare garantie, zonder dat sprake is van een verboden exoneratie in de zin van artikel 2:58 WVV.
2. Bescherming via een afzonderlijke overeenkomst, bv. met de hoofdaandeelhouder
Hoewel de vennootschap de bestuurder niet mag vrijwaren, geldt dat verbod niet voor derden. Een hoofdaandeelhouder of andere derde kan zich geldig verbinden om de bestuurder te vrijwaren of te beschermen tegen bepaalde vormen van aansprakelijkheid. Dit valt buiten het toepassingsgebied van artikel 2:58 WVV en is dus juridisch perfect aanvaardbaar.
De rol van verzekeringsdekking: onmisbare tweede pijler
Naast contractuele bescherming moet ook de verzekeringsstructuur worden herbekeken. De focus verschuift van louter vennootschapsdekking naar persoonlijke/individuele dekking voor bestuurders. Relevant zijn onder meer:
- uitbreiding van de algemene aansprakelijkheidsverzekering zodat ook persoonlijke claims tegen bestuurders worden gedekt;
- of een D&O-verzekering die bestuurders beschermt tegen zowel interne als externe claims.
Van bedreiging naar strategisch voordeel
De afschaffing van de quasi-immuniteit is geen louter juridische nuance: ze verandert de manier waarop organisaties risico lopen én hoe bestuurders persoonlijk geviseerd kunnen worden. Wie de hervorming negeert, verhoogt de kwetsbaarheid van zowel de vennootschap als de betrokken bestuurders. Wie echter tijdig anticipeert, kan de nieuwe regels gebruiken als hefboom voor een professioneler en robuuster bestuursmodel.
Door:
- artikel 6.3 BW systematisch uit te sluiten in hoofdcontracten;
- aanvullende bescherming te voorzien via derden zoals aandeelhouders;
- en een aangepaste verzekeringsdekking te implementeren;
kan de vroegere bescherming van bestuurders opnieuw worden benaderd, zij het via een andere juridische route.
Vragen of behoefte aan advies?
Heeft u vragen omtrent deze nieuwe wetgeving of wenst u uw bestuurdersovereenkomst aan te passen? Neem dan zeker contact op met onze specialisten in het vennootschapsrecht zodat wij u op maat kunnen adviseren. Ook voor al uw andere vragen met betrekking tot het ondernemings– en vennootschapsrecht kan u bij ons terecht.






