relatiegericht-icon Relatiegerichte advocatuur
transparant-icon Transparante werkwijze
expert-icon Team van juridische experten
reactie-icon Reactie binnen 24u
resultaat-icon Resultaatgerichte aanpak

Overheidsrecht en omgevingsrecht

Stakingsvordering leefmilieu: de burger kan opnieuw vorderen namens de gemeente

Oct 18, 2019
Stakingsvordering leefmilieu: de burger kan opnieuw vorderen namens de gemeente

Op grond van artikel 194 van het Gemeentedecreet konden burgers namens de gemeente in rechte optreden, wanneer het lokaal bestuur zelf niet optrad tegen een onwettige situatie. Deze regeling werd echter door de Vlaamse decreetgever afgeschaft. In het arrest van 10 oktober 2019 heeft het Grondwettelijk Hof deze afschaffing strijdig bevonden met de standstill-verplichting uit artikel 23 van de Grondwet.

De afschaffing van het substitutierecht

Artikel 194 van het Gemeentedecreet stelde dat: Als het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad nalaten in rechte op te treden, kunnen een of meer inwoners in rechte optreden namens de gemeente, mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken.”

Dit substitutierecht fungeerde als een bijkomende rechtsbescherming voor burgers bij het stilzitten van een gemeente. Men wendde dit recht vaak aan om namens de gemeente een milieustakingsvordering in te stellen (zoals voorzien in de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake de bescherming van het leefmilieu).

Met het nieuwe Decreet Lokaal Bestuur schrapte de Vlaamse decreetgever artikel 194, door het bewuste artikel hier niet meer in op te nemen. Als motivering hiervoor gaf de decreetgever aan dat de ratio legis van het substitutierecht vandaag de dag achterhaald is en dat dit recht ‘ondemocratisch’ is. De decreetgever stelde namelijk dat de weloverwogen keuze van een democratisch verkozen orgaan om niet op te treden, op die manier omzeild kan worden door één individuele inwoner en hierdoor aan een rechterlijke controle kan worden onderworpen.

Kritiek van de Raad van State

De Raad van State, afdeling Wetgeving bracht reeds een negatief advies uit over de beslissing van de Vlaamse decreetgever om artikel 194 niet opnieuw op te nemen in het nieuwe Decreet Lokaal Bestuur. Hieronder worden de twee voornaamste punten van kritiek besproken.

Allereerst stelde de Raad dat deze afschaffing afbreuk dreigde te doen aan de standstill-verplichting, zoals neergelegd in artikel 23, 4° van de Grondwet, omdat de decreetgever het bestaande beschermingsniveau in aanzienlijke mate zou verminderen, zonder dat daarvoor afdoende redenen van algemeen belang zijn.

Bovendien stond het afschaffen van het substitutierecht op gespannen voet met eerdere rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, omdat het Hof in een arrest van 23 januari 2014 reeds een poging om het substitutierecht (gedeeltelijk) af te schaffen, had vernietigd.

Vernietiging door het Grondwettelijk Hof

Strijdigheid met de standstill-verplichting

De nieuwe poging van de Vlaamse decreetgever om het substitutierecht met betrekking tot de gemeente (nu volledig) af te schaffen, mocht eveneens niet baten. Het Hof veegde namelijk de overwegingen van de Vlaamse decreetgever van tafel en volgde de Raad van State in zijn zienswijze door te oordelen dat de afschaffing van het substituerend vorderingsrecht wel degelijk in strijd is met de standstill-verplichting.

Enkele opmerkelijke overwegingen

Allereerst stelt het Hof in overweging B.11.6. dat “het bestaan van een alternatieve toegang tot de rechter evenwel geen reden van algemeen belang biedt die de aanzienlijke vermindering van het bestaande beschermingsniveau kan verantwoorden.”

Daarnaast haalt het Hof in overweging B.13. aan dat “de decreetgever, door de opheffing van het vorderingsrecht namens de gemeente, het beschermingsniveau dat werd geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate heeft verminderd zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.”

Tot slot merkt het Hof in overweging B.14. ook op dat “de standstill-verplichting niet enkel geldt ter bescherming van het recht op een gezond leefmilieu, maar van alle in artikel 23 van de Grondwet vermelde rechten.”

Besluit

Met dit arrest legt het Grondwettelijk Hof opnieuw een tweede poging tot afschaffing van het substitutierecht aan banden. Hierdoor kunnen inwoners van een gemeente opnieuw zélf een vordering instellen bij een rechter, en zulks namens hun gemeente die stilzit.

Indien u hierover vragen heeft, kan u steeds terecht bij FORUM ADVOCATEN.

 

Auteurs: Florentina Alimusaj & Reiner Tijs