Kantoornieuws

De gemeente kan de stakingsvordering inzake leefmilieu betwisten die door inwoners “namens de gemeente” werd ingesteld

Jul 12, 2016

De wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, in samenhang gelezen met artikel 194 van het Vlaamse Gemeentedecreet van 15 juli 2005, laat toe dat inwoners “namens de gemeente” een stakingsvordering instellen gericht tegen ernstige aantastingen van het leefmilieu. Dit kan nuttig zijn wanneer het bevoegde orgaan van de gemeente zelf niet optreedt tegen bepaalde schendingen van de leefmilieuwetgeving. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kan in het kader van een dergelijke procedure tot staking ertoe worden gebracht om de geldigheid van een door de gemeente genomen beslissing te onderzoeken, omdat de staking wordt gevorderd van een handeling die er een uitvoering van is. Op die manier kunnen de beslissingen van de gemeente aldus op onrechtstreekse wijze worden aangevochten door haar inwoners. Het stilzitten van de gemeente is evenwel niet noodzakelijkerwijs een gevolg van een nalatigheid of onwilligheid om het gemeentelijk belang te behartigen, doch kan evenzeer de uiting zijn van een weloverwogen keuze, omdat de gemeente van oordeel is dat er geen onwettigheid is begaan en er dus geen aanleiding is om een stakingsvordering in te stellen. De inwoner die optreedt namens de gemeente, enerzijds, en het college van burgemeester en schepenen, anderzijds, hebben in dat geval klaarblijkelijk tegenstrijdige belangen in het geding. De rechten van verdediging van de gemeente, vertegenwoordigd door haar college, worden volgens het Grondwettelijk Hof op onevenredige wijze beperkt in zoverre de gemeente in een dergelijk geding enkel zou kunnen optreden ter ondersteuning van de vordering van een inwoner, doch niet om die vordering te betwisten en haar beslissing te verdedigen. Dat geldt volgens het Hof des te meer nu, in zoverre de rechter bij wie het geschil aanhangig is gemaakt de beslissing van de gemeente onwettig verklaart en buiten toepassing laat, die gemeente kan worden blootgesteld aan een mogelijke vordering tot schadevergoeding vanwege de begunstigde van die beslissing. Mede in het licht van die gevolgen, kan het niet worden verantwoord dat die gemeente, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, geen verweer zou kunnen voeren wat betreft de vordering die door een inwoner namens haar is ingesteld in het kader van een op tegenspraak gevoerde procedure. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dan ook dat artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, in samenhang gelezen met artikel 194 van het Vlaamse Gemeentedecreet van 15 juli 2005, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met het algemeen beginsel van de rechten van verdediging, in die interpretatie dat de gemeente, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, kan deelnemen aan het door een inwoner op grond van artikel 194 van het Vlaamse Gemeentedecreet ingesteld geding, doch enkel om de vordering van de inwoner te ondersteunen. Het Hof merkt op dat een andere interpretatie mogelijk is en dat er geen schending is in die interpretatie dat de gemeente, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, kan deelnemen aan het door een inwoner op grond van artikel 194 van het Vlaamse Gemeentedecreet ingesteld geding, niet enkel om de vordering van de inwoner te ondersteunen, maar ook om haar eigen visie uiteen te zetten en die vordering in voorkomend geval te betwisten (GH nr. 60/2016 van 28 april 2016).

Contacteer ons advocatenkantoor

Stuur ons een bericht. Eén van onze advocaten helpt u graag verder.

Contact
Website design & development by